Rechtbank Midden-Nederland, 15 juni 2022
ECLI: ECLI:NL:RBMNE:2022:2464
Casus:
Een werknemer werkte sinds de coronapandemie vrijwel volledig vanuit huis, met goedkeuring van de werkgever. Ook na de versoepelingen bleef hij thuiswerken, en de werkgever stond dat stilzwijgend toe — er waren geen formele afspraken vastgelegd.
Na bijna twee jaar vroeg de werknemer om het thuiswerken structureel vast te leggen in zijn arbeidsovereenkomst. De werkgever weigerde dat en eiste dat hij weer op kantoor kwam werken. De werknemer weigerde en stelde dat er sprake was van een gevestigd recht op thuiswerken, gebaseerd op impliciete instemming van de werkgever.
Juridische vraag:
Heeft een werknemer door langdurig en structureel thuiswerken, met goedvinden van de werkgever, een recht op thuiswerken verworven?
Uitspraak rechtbank:
De rechter gaf de werkgever gelijk. Er was géén impliciete afspraak ontstaan om thuiswerken als blijvend recht te beschouwen. De omstandigheden wogen mee:
- Het thuiswerken was ontstaan uit een noodsituatie (corona);
- Er was nooit schriftelijk vastgelegd dat thuiswerken structureel zou zijn;
- De werknemer wist dat het beleid tijdelijk was en afhankelijk van de situatie.
“De werkgever heeft nooit een uitdrukkelijk of stilzwijgend aanbod gedaan voor een structureel thuiswerkrecht. Het voortduren van de situatie maakt dit niet anders.”
De werknemer moest terugkeren naar kantoor.
Wat maakt dit belangrijk?
- Het laat zien dat zelfs langdurig gedrag (zoals 2 jaar thuiswerken) niet automatisch leidt tot impliciete toestemming;
- De rechter kijkt naar de context en de wederzijdse verwachtingen;
- Alleen gedrag is niet voldoende — er moet ook sprake zijn van een duidelijke wilsovereenstemming.
Les:
Langdurig thuiswerken betekent niet automatisch dat een werknemer daar een juridisch afdwingbaar recht op krijgt. Wil je structureel thuiswerken? Laat het expliciet vastleggen. Werkgevers behouden hun instructierecht tenzij ze dat nadrukkelijk opgeven.

